De Zutphense juffrouw en de ontrouwe bediende van Lindenbaum

    • Deze uitgave is leverbaar als:

    Omschrijving

    In dit cahier wordt de achtergrond van art. 6:162 BW geschetst. Uitgangspunt daarbij is het beroemde arrest Lindenbaum/Cohen en dat over de Zutphense juffrouw.
    Met Lindenbaum/Cohen zou een ware revolutie in de ontwikkeling van het privaatrecht hebben plaatsgevonden: Niet langer een starre gebondenheid aan de letter van de wet, maar de vrijheid om rekening te houden met wat maatschappelijk als onbehoorlijk wordt ervaren. Beoogd wordt om te laten zien dat er sprake is van mythevorming over die arresten. Daartoe wordt de rechtspraak in de 19e eeuw onderzocht en wordt getracht een verklaring te geven van de strijd om de uitleg van het oude art. 1401 BW.
    Het is ook de bedoeling om te laten zien hoe mythen in het recht kunnen ontstaan. En daaruit de les te leren hoe belangrijk het is om altijd zelf naar de arresten te kijken én die kritisch te lezen. Een andere doelstelling van dit verhaal is om te laten zien hoe de strijd om de uitleg van een wetsbepaling (in dit geval art. 1401 én 1402 oud BW) ten nauwste samenhangt met sociaal-economische vragen.

    Inhoudsopgave

    Hoofdstuk 1 – Inleiding
    1.1 Een jeugdherinnering
    1.2 De Zutphense juffrouw en de ontrouwe bediende van Lindenbaum
    1.3 Reacties op deze beslissing
    1.4 De heersende leer omtrent de ontwikkeling van het onrechtmatigheidsbegrip
    1.5 De begrippen onrechtmatigheid, schuld en causaal verband
    1.6 Onrechtmatigheid

    Hoofdstuk 2 – De buitencontractuele aansprakelijkheid in de negentiende eeuw
    2.1 De vergeten betekenis van art. 1402 oud BW
    2.2 Terminologische verwarring
    2.3 Hing de Hoge Raad in de negentiende eeuw een enge onrechtmatigheids-opvatting aan?
    2.4 Nog meer uitspraken over de artt. 1401 en 1402 oud BW uit de tweede helft van de negentiende eeuw tot in de jaren tachtig
    2.5 De jurisprudentie nà 1883
    2.6 Oneerlijke concurrentie

    Hoofdstuk 3 – De controverse tussen Molengraaff en Eyssell
    3.1 De industriële situatie van Nederland aan het eind van de negentiende eeuw
    3.2 Molengraaff en de oneerlijke concurrentie
    3.3 De opvatting van Eyssell
    3.4 Een echte conservatief
    3.5 Wie moet er toetsen?

    Hoofdstuk 4 – Het arrest van 10 juni 1910, inzake de Zutphense juffrouw
    4.1 De rechtbank wijst toe
    4.2 Wat doet de Hoge Raad
    4.3 De wetsontwerpen Regout en Heemskerk

    Hoofdstuk 5 – De terugkeer naar de ruime opvatting
    5.1 De principiële breuk in Lindenbaum/Cohen
    5.2 De rechtspraak tussen 1912 en 1919
    5.3 Nog steeds ‘schuld, nalatigheid of onvoorzichtigheid’
    5.4 Hoge Raad 16 januari 1914, NJ 1914, p. 407
    5.5 Het paard van Spies
    5.6 Gebruik van de term ‘schuld’
    5.7 De eigenmachtige afsluiting
    5.8 Het ongeval in de graansilo
    5.9 Hoe wordt het begrip ‘schuld’ in die tijd gebruikt?
    5.10 Nogmaals de graansilo
    5.11 Concluderend

    Hoofdstuk 6 – Slot
    6.1 Juridische mythologie
    6.2 De echte breuk
    6.3 Dialectiek
    6.4 Een symbolische breuk

    Gebruikte bronnen en literatuur

    Recensies

    Deze uitgave heeft nog geen recensie

    Schrijf een recensie